Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cer. NEDERLANDEN. 119

ders eens Oppermagtigen Staats , verfchuldigd. Zij kwamen, onder voorwendzel, om eenige zwaarigkeden, de Visfcherij betreffende , uit den weg te ruimen. De Engelfchen hebben nooit, dan met een wangunstig oog, kunnen zien , dat zo veek Schepen van dit Gemeenebest de Zeeën, die hunne Kusten befpoelen, dekten, en'er , door de Visfcherij, 's jaarlijks , onmeetelijke rijkdommen uit haalden. De Engelfche Vorst, deezen gewigtigen tak dei Nelandfche Zeevaart willende knotten, hadt een nieuw Bevelfchrift doen uitgaan , den Vreemdelingen de Vischvangst, op de Engelfche en Schotfche Kusten, verbiedende. De Afgevaardigden verzogten de herroeping van dit Bevelfchnft. Zij vertoonden , hoe de Haringvangst in het Gemeenebest twintigduizend Zeevaarenden , en veertigduizend Menfchen , zich geneerende met het geen tot het maaken en uitrusten der Buizen vereischt werdt, onderhield , fchoon ze dikwijls den Reederen fchaade gaf. Zij deeden zien, dat andere Volken, met naame de Engelfchen, op zulk een fchraale huur, als de onzen gaven , niet ten Haring zouden willen vaaren , en deeze Visfcherij ook niemand voegde, dan die 'er,van jongs af, toe opgebragt en van de noodige gereedfchappen voorzien was. Het verbod der Visfchertje werd gefchorst, en de Koning deelt goede beloften ten opzigte der Kleeffche en Gulikfche zaak (*). Dan5 het wel af-

loopen

(•) Refol, Holl. 1610. bl. 27. Meteiuen, XXXII. B. f. 609. 6\o,

H4

Maurits.

Sluiten