Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 151

De gefchillen deezer Godgeleerden kwamen op den Predikftoel: hoogen en laaggn , zo in den Burger > ftaat, als in de Regeering, werden 'er mede gemoeid. De t-taaten van Holland en IVestfriesland ontbooden Gomarus en Arminius in den Haage , om , in t bijzijn van vier Predikanten , door hun benoemd, zich over de ftukken, in gefchil , te verklaareii. Gomarus wilde zich des onttrekken, voorwenden, de, dat de Staaten wel bevoegd waren, om over Wereldlijke , maar niet over Kerklijke zaaken, te oordeelen: ook begeerde hij , zich in geehe onderhandeling intelaaten, eensdeels, om dat zijn perfoon Kerklijk was , en der Kerke onderworpen j anderdeels, dewijl de zaak van die natuur was , dat dezelve Kerklijk moest verhandeld en beoordeeld worden. Ondanks dit alles, kon hij hetmietontwijken, hoe fchoorvoetend ook, opening te geven van 't gefchil tusfchen hem en zijnen Amptgenoot, die , op 't ingebragte bezwaar, zich verantwoordde. De Voorzitter en Raaden van den Hoogen Raad verklaarden, in 't bijzijn der Hoogleeraaren en der vier Predikanten, in de volle Vergadering der Heeren Staaten, dat'er, huns bedunkens, tusfchen de Hoogleeraaren geen verfchil was over eenig Hoofdpunt des Geloofs, noodig ter zaligheid. Gomarus , met dit verftag niet te vrede, betuigde , dat hij met.het gevoelen van Arminius niet zou durven vetfehijnen voor Gods Oordeel: en , indien de Staaten niet, binnen kort, 'er in voorzagen, zou, uit dit verfchil, zulk eene onéènigheid kunnen rijzen , dat Land, K 4 Staat

Maurits;

Arminius en Gomarus houden eene Zaïnen* fpraak in ■j Gravenhas-

Sluiten