Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 163

maeus bewilligde , liet hij dit Vertoog agter (*). Het gefchil , ondertusfehen, wegens het Regt der O'/erheden in Kerklijke zaaken, bleef leevendig, en liep hoe langer hoe hooger. De Contra -KemonJlrantcn oordeelden , dat het den Kerkenraaden, Clasf n en Synoden toekwam , met meerderheid van Remmen, te belluiten, wat in de Hoogefchooleh eri Kerken mogt en moest geleeraard worden ; ja , dat het oordeel over die zaaken geheel en volftrekt Kerklijk was: en de Hooge Overheid, geweefenshalven y zich verph'gt moest agten, dé Relhiiten, dus Kerklijk genomen , uittevoeren , met uitwerpinge , of zelfs met ftraf- oefeninge der zodanigen , die de Leerfteilingen, door de Kerklijken bepaald, niet wilden prediken, of eene andere Leer voordroegen. Een gevoelen, dat zeer naar het Pausdom fmaakte, en den meesten Staatkundigen zo heerschzugtig als ongerijmd voorkwam. De Guoot kantte 'er zich tegen, in een Werkje, gètifteld: Godsdienstigheid der Heeren Staaten van Holland en Westfrieslandi

Dè Rermnfèranten , in tegendeel, hielden Kaande, dat de Wereldlijke Overheid , zonder gehóuden te zijn aan Bëflniten van eenige Kerklijke Vergaderingen, hoe genaamd, regt hadt, vastteftellen, wat in 't openbaar mogt of moest geleeraard worden; dat eene Christelijke Overheid zieh daaromtrent te rigten hadt naar Gods Woord ; dat zij gezag heeft in het beroepen van Kerkendienaars , in 't maaken vart

Kerk*

C) UiTenbogaard Kerkl. Hifi- bl. 468.

L z

Sluiten