Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 371

om uitteftrooijen, dat Ledenberg, gedreeven door bewustheid van fchuld , en vervaard voor de openbaare ftraffe , de handen aan zichzelven geflaagen hadt (*).

De Groot was de derde, die ondervraagd werd. Hij hadt zijn val voorzien; dochdagt, dat men zich zou bepaalen tot het verlies van zijn Ampt: waarom hij voornam, als Advokaat , de Pleitzaal weder te betreeden. Zijne gevangenneeming maakte hem verllaagen. De Verklaaring , ten dien dage uitgegeeven, fmertte zijne ziel ten hoogften. Geen verlof kunnende bekomen, om den Prins te fpreeken , begon zijne Gemeenebestgezinde fierheid eenigzins te wankeien , en hij gaf te verhaan, gaarne zijne Bedieningen te willen nederleggen , om alleen van zijne Doorlugtigheid in huislijke zaaken gebruikt te worden. Hij fchreef ten dien einde aan den Raidsheei Vosbergen , hem verzoekende , zijne oogmerken den Prins bekend te maaken. De Brief kwam den Prins niet, maar wel den Ridder Carleton in han^ den, die zich zeer gebelgd vondt over de houtheid van de Groot, om ais eene verdienhe bijtebrengen , 't geen hij , in de laatfte gefchillen met Engelands voor deezen Staat gedaan hadt. De Groot rigtte een langen Brief aan zijne Doorlugtigheid , tot ver deediging van zijn gedrag; doch kreeg hier op geer antwoortj: gelijk ook geen op zijn Verzoekfchrift bij

d<

(•) Carleton, II.p.3*3.317. 3i*.328. Tric^and, 1091.1093.

Maurits.

De Groot ondervraagd.

Sluiten