Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 410

„ het Krijgsvolk van den Eed , dien zij mij, als „ hunnen Veldöverften , fchuldig waren , zoeken

aftetrekken. Twee dingen hebben mij wat ge„ fpeeten : het eene , dat hij gezegd heeft, dat ik „ ftondt na de Souverainiteit: het andere , dat hij ,, mij, te Utrecht, in zulk een gevaar heeft gebragt. „ Dan ik beveel aan uwe voorzigtigheid, of gij hun ,, deeze dingen wilt bekend maaken, of niet; want „ ik zoek niets anders, dan 's Mans zaligheid. Ook „ heb ik op de Regters begeerd, dut, het geen hij „ tegen mij heeft misdaan, hem tot geene misdaad ,, zou worden toegerekend. Wat zijne Kinderen ,, aangaat, die zal ik gunstig zijn , zo lang zij wel „ doen." Walrus ging reeds heenen , wanneer de Prins hem te rug riep , met de vraage: Spreekt hij van geen Pardon ? De Predikant antwoordde, „ dat hij daar van , met waarheid, niets haat ver„ (taan." Deeze bragt het zeggen des Prinfen bij den Gevangenen over, en ontving tot befcheid, dat hij voor zijne Kinderen niets meer begeerde; dat zijne Doorlugtigheid miste, als hij dagt, dat hij voor zichzelven Pardon verzogt; dat hij waarlijk , reeds zints het jaar MDC, gevreesd hadt , dat de Prins na de Souverainiteit of meerder Gezag 'ftondt; dat, het geen te Utrecht gedaan was , flrekte tot voorkoming van oproer (*).

Behalven Wal/eus, waren bij den Advokaat de Haagfche Predikanten Lamotius en Beijerus. Hij

maakte

Brandt Regtspl. bl. 177 enz.

H 4

Maurit*.

Sluiten