Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 4*6

„ het leeven] beroofd hadt; maar dat redenen van „ Staat deeze gewelddaadige handelingen vorder,, den."— De Landgraaf vanHesfen durfde hem, op zekeren tijd , te gemoet voeren , ,, dat eene ter „ doodbrenging van eenen meer dan zeventigjaarigen „ Grijsaart geene zeer doorlugtige daad was." Maurits zogt zich te ontfchuldigen, met het op de Regters te werpen. „ Maar de Regters," hervatte de

Landgraaf,„waren door u benoemd."' „Neen,"

fprak daar op zijne Doorlugtigheid, ,, door de Staa-

J5 ten." s, Hebt gij, evenwel," hernam de

Landgraaf, „ hun de zulken niet aan de hand ge„ geeven, als gij wist, dat geflagene Vijanden des „ Advokaats waren ? / —— Zo tragt de Dwinglandij zich voor zichzelven te verbergen , en moet, derhal ven, gevolgd worden in haare wijkfehansfen, tot dat ze met fchaamte overdekt wordt, zo wel als de Werktuigen, waar van ze zich bedient, om haare misdrijven te vermommen. 't Is bekend,

dat de Prins, door de gelukskans, raderhand, min begunstigd, klaagde, van God verhaten te zijn." Ook wordt voor waarheid verhaald, dat zijne fombere en onthelde verbeelding , als hij ter tafel zat, en 'er Visch was opgezet, waande, het grijs hoofd van Oldenbarneveld voor zich te hebben, en verfcheide keeren tot de Bedienden zeide: ,, In Gods naam, „ neemt dat hoofd weg 1 Ziet gij dat hoofdniet? „ Neemt het weg (*)!" En,

(«) Brasdt Rigtspl, bL 251-253. BiblUth. Cheijï, XVI. p. «14.

Mauritj.

Sluiten