Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

498 GESCHIEDENIS

M/URITS.

STOIJTEN-

eurg ontkomt.

Toen eeist kwam bet in bedenken, of hij niet wel deel mogt hebben aan den toeleg op den Prins,waar van 't ganfche Land waagde, en veeliigt niet dezelfde Slatiüs was, op wiens lijf men vierduizend Guldens gezet hadt. Voor deezen Man kende men hem egter niet eer voor dat hij te Amfterdam gebragt was, van waar men hem na den Haag voerde. Das kwam hij, door zijne eigene verlegenheid en het verloopen van zijn Bier , in zwaarigheid. Het is een (preekwoord geworden onder de Drinkers, die, noodevan de Bierkan fcheidende , pleegen te zeggen : Ik wil Slatius niet flagten, en mijn Bier verloopen.

Stoutenburg , het hoofd en de fchuldighe der Zamenzwterderen, was gelukkiger dan de rest. Hij hadt zich, zo men meent, met eene Kist, uit den Haag doen draagen, en, heimlijk te Rotterdam gekomen, onthieldt hij zich daar, met van der Dussen, tien of twaalf dagen. Een Schipper nam ,voor duizend Guldens, aan, hun buiten 's Lands te brengen. Zij wisten zich zo wel te verfchuilen, dat zij, de Waal opvaarende , voor Nieuwmegen eerst van den Schippersknegt gezien wierden , zonder hun te kennen. Doch Stoutenburg , bij het Tolhuis, niet verre van Schenkenfchans, zijn Knegt aan wal laaiende gaan, werd deeze herkend , vastgehouden, en genoodzaakt kundfchap van zijnen Heer te geeven. Terhond voeren eenige Soldaaten na het Schip; doch zij kwamen te laat. Stoutenburg, met van der Dussen en den Schipper , uit het agterblijven van den Knegt eenig vermoeden opvattende, voeren

met

Sluiten