Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ber NEDERLANDEN. 503

«ooit Spaans ch of Jefuïtisch in 't hart geweest. Ik len zo fnood een Man niet, gelijk uit mijne Sententie zal blijken. Ik heb altijd na moderatie getragt, en de genen , die de Middelaars behoorden te zijn , hebben u misleid, 't Is waar, dat ik in deeze zaak ben gekomen en ingewikkeld; en, 't geen ik daar in misdaan heb dat, hoop ik, zal mij de goede God ver geeven. Doch zijt verzekerd , en gedenkt 'er mij bij, dit Land hangt eene groote plaage en ftraf over 't hoofd. Hij wilde met, dat een Predikant op het Schavot voor hem zou bidden, en niemand merkte,

dat hij badr. Min was men ontroerd over de

doodhraffe deezes Mans , die zo veel aandeels hadt in den geheelen aanleg, dan over de doodhraffe, drie Leydfche Burgers aangedaan, wier misdaad alleen beftondt in te hebben hooren fpreeken van de Zamenzweering , en het geheimhouden daar van, beleidende tot het einde toe, dit voor zotteklap aangemerkt, het verfoeid en veroordeeld te hebben. — De vier Matroozen, die den toeleg uitbragten, werden elk door de Algemeene Staaten befchonken met zeshonderd Guldens en eene gaadje van vijftien Guldens ter maand , met belofte van vordering in Scheepsampten. De Prins gaf ieder een Gouden Penning, met zijn Beeldtenis en Wapen, ter waarde van tachtig Guldens, en een verzilverd Rapier (*).

Zo

(*) Meu zie dit alles breedvoeriger in de Leevembefchr. van eenige baornaame Mannen en Vrouwen , in het Leeven van R.v. Oldenbarneveld, V.D. bl. aio enz.

Maurits.

Sluiten