Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 34?

ficlde men in Haat, om het te befchermen, en lag eenige gewapende Uitleggers in den Am/lel, voor de Stad. Elk ijverde even zeer tot verllerking en befcherming in deezen vreemden nood. lienige Gilden booden vrijwillig hunnen dienst aan, om Staketzeis in de Wallen te Haan : aan welken arbeid zommigé Doopsgezinde Giidebroeders zich niet onttrokken.

Graaf Willem Fkederik, das laat voor de Stad genaderd, zag zijn toeleg, om te verrasten , mislukt , en , alles in beweeging vindende, oordeelde hij het niet raadzaam, iet geweldigs te onderneemen. Naa zich beraaden te hebben , wat, in dit netelig tijdsgewrigt te doen , befloot hij, den Brief zijnetHoogheid , dien hij last hadt zelf te overhandigen, wanneer hij met het Krijgsvolk ter Stad was ingetrokken, der Regeeringe toetefchikken. De Prins, niet twijfelende aan 't welgelukken van den toeleg, gaf 'er zijn oogmerk duidelijk in te verftaan , fcbrijvende, „ dat hij, de laatlle reis, zo vreemd in Am* „ Jlerdam bejegend zijnde, om zulks niet meer on„ derworpen te zijn, Graaf Willem , aan 't hoofd „ van eenig Krijgsvolk, derwaards gezonden hadt, „ met Jast, om alles daar gerust te houden, opdat hij, ,, door eenige Kwalijkgezinden , niet belet wierd „ voortedraagen , 't geen hij, ten dienste van den „ Lande, nog te zeggen hadt." —- De Weiiouderfchap vaardigde, op 't hezen van de?zen Brief, de Schepens Huidëkooper en van der Does aan Graaf Willem af, in een gewapend Jagt : zij ontmoetten hem niet verre van de Stad, bij cSTHofh--de

Weina,

Willem de II.

Sluiten