Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

384 GESCHIEDENIS

Willem

de II.

Poogingen der Siaiten van Hollar.d, om hei Stadhouderfctepafrefchaffen.

hadden de Staaten van Holland zich veel moeite gegeeven, om Zeeland aftebrengen van het benoemen of voorfchikken des jongen Prinfen tot Stadhouder: zij beweerdsn , dat zulks voor als nog ontijdig was, dewijl men niet wist, hoedanig de Prins zou weezen , als hij een manlijken ouderdom bereiken mogte : dat hij een goed en bekwaam Vorst kon worden ; doch ook de voetftappen volgen van zijn Vader en Oom, en na de Vrijheid van den Staat dingen: dat de Prins ook den Staaten kleinen dank zou weeten voor de eere, hem in zijne kindsheid aangedaan , en veeleer oordeelen, dat ze hem erilijk toekwam. Op eene bedekter wijze gaf men, van ter zijde, te veiflaan, dat de Prins , na vermaagfchapt met Frankrijk, Groot - Brhtanje en Deenemarken , en groote Goederen hier ten Lande bezittende , reeds magtig genoeg was in den Veréénigden Staat; dat , hem nog hooger te verheffen, de Vrijheid met gevaar dreigde. Een gevaar, te meer te dugten van een Prins, wiens Vader en Voorgangers, onder den naam van Stadhouder , geflaan hadden na de Opperfle Magt, welke zij ook , beide in 'c befluuren van den Staat en van de Legers, in hooger maate bezeten hadden dan de Graaveu van ouds (*). Deeze en dergelijke redenen vermogten op de Staaten van Zeeland meer dan de aanzoeken der beide Prinfesfen en haarer Aanhangeren.

De

CO Refol- üolh 1651- bl. 31. Aitzema, III. D- bl. 467. Jierfl. Leeuw, bl. 51.

Sluiten