Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 3S5

De Staaten van Friesland en Groningen konden met geen goed oog aanzien, dat de andere Gewesten zich zouden onttrekken aan een juk, 't welk zij op den hals genomen haddén. Dit gewigtig gefchilltuk werd, op verfcheide zittingen, niet rechtdreeks behandeld ; want de Gewesten, tegen de Stadhouderlijke Regeering aangekant, beweerden, dat'deeze zaak elk Gewest in 't bijzonder betrof, en niet behoorde tot de raadpleegingen der Groote Vergaderinge: maar men overwoog het van ter zijde , wanneer 'er gehandeld werd over de Unie.% Men

Remde , op de Groote Vergadering , met Holland terdond, de Unie van Utrecht heiliglijk te houden: en hadden de andere Gewesten hier het uiterfte belang bij. Doch 'er waren Artykels in, die nadere opheldering verdienden, en vastftellingen , gefchikt naar de toenmaalige omdandigheden, welken nu niet te pasfe kwamen. In het I, IX. en XVI. Artykel vondt men bepaalingen over 't afdoen der gefchillen tusfchen de Bondgenootfchaplijke Gewesten , die, ieder op zichzelven, de hoogde magt bezaten. Volgens deeze was de beflisfing, in veele en de gewigtigfte gevallen, bij voorraad, verbleeven aan de uitfpraak der Stadhouderen , die 'er toen waren. Die Stadhouders overleden zijnde, miste men in 'tBondgenootfchap het middel, om de gefchillen , op eene wettige en volkomene wijze, aftedoen. In ons Tafereel hebben wij meermaalen gelegenheid gehad', om gevallen te vermelden, die aanleiding gaven tot het onderzoek van dit gewigtig Huk , dus agten wij G 3 't on-

WlLLEM DE II.

Poogingen der Friezen , om het Stadhouderfchapllaande te houden.

!

Sluiten