Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4i5 GESCHIEDENIS

StaatsRegse-

RljNG.

werkzaamheden. Hoe meer drifrs de Gemagtigden betoonden, om de oude Verbonden te vernieuwen, hoe geltoorder de Afgezanten fcheenen, dat men niet in hunne maatregelen tradt. Zij vernieuwden de klagten, dat de Staaten eene Vloot na de Sorlings gezonden hadden, om dezelven te bemagtigen: fchoon liet reeds beweezen was, dat die Vloot alleen diende om de Zeerooveiijen te beletten van den Bevelhebber dier Eilanden , die de Kaapers op naam van Koning Carel den 11. liet vaaren. Bij elk Artykel, door hen voorgelteld, voegden zij, dat men het niet aanneemen als een blijk van vijandfchap zou aanmerken. Zij eischten , dat de Staaten openlijk de Partij des Parlements zouden kiezen, tegen de Vijanden van Engeland en de Rebellen ; onder deezen rekenden zij Carel den II. en het geheele Koninglijke Huis ; om der Prinfesfe , zijne Zuster, of den Prins van Oranje, zijnen Neeve, te beletten, hem immer te ondcriteunen. Bovenal klaagden zij , dat de Staaten eene verbintenis weigerden , met welker aanbieding men hun meer agtings en gunste betoonden , dan zij verdienden. Met dit alles kon men gereed bevroeden , dat zij min eene Verbintenis dan voorwendzels tot eene Vredebreuk zogten. Eindelijk, na veele zo onüanneemeiijke als beledigende voorfteikn gedaan te hebben, bragten zij den hoon, hun aangedaan, bij als een voor wendzel, om weder na Engeland ovenelleeken (*_).

'c Is

(*j Rapin, Tom. IX, p. 49. Wicquef. Preuv. TomII. p. 410. 414.

Sluiten