Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 417

't Is waar, bij hunne ftaatlijke inhaaling in den Haage, hadden eenige Jongens, zo men wil, omgekogt door een Paadje der Koninglijke Prinfesfe , hun den fcheldnaam van Koningsmoor der s toegeroepen. Zij konden nauwlijks op den weg verfchijnen , zonder zich blootgefteld te vinden aan de hoonendlïe bejegeningen der Bedienden van de Engelfchen, aan 't Huis van Stuart, en van 't Gemeen, aan 't Huis van Oranje verknogt. Dit niet alleen , maar Prins Eduard, Zoon van den Paltsgraaf Frederik, hadt hun, met eenigen van zijn gevolg , in 't openbaar, den naam van Guiten na 't hoofd gefmeeten , en hunne Dienaars voor Honden gefcholden ; en, op een anderen tijd, St. John, als hij, niet groetende, den Hertog van lork, opeeneopenbaare wandelplaats, voorbijging , den hoed afgenomen , zeggende, dal hij eerbied moest betoonen voor den Zoon en Broeder zijns Konings. Hier uit ontflondt een gevegt; doch de Afgezant moest wijken , dewijl het Volk, op 't gerugt t'oegefchooten , de zijde des Hertogs koos (*). Op de klagten, over deeze hoonende beledigingen , deeden de Staaten van Holland. Prins Eduard , die uit den Haag geweeken was, bij kloïcluidinge indaagen : één zijner Dienaaren werd gegeesfeld, en een ander gebannen. Men voer, ondanks het verbod, van 't Regt der Volken niet te fchenden in de perfoonen der twee Afgezanten, voort met hen te befchimpen, te hoonen en te dreigen,

C*j Eas.nage, p. ai5,

StaatsRegee.

RIiNG.

Hoon, den EngelfchenGezanten in den Haage aangedaan.

Sluiten