Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staats Regeering.

490 GESCHIEDENIS

te hebben, ftreeden de Staaten voor het regt,'t welk hun toekwam , om daar in te bewilligen. Zij beweerden , als een onbetwistbaar grondbeginzel , dat elk Gewest, en dus ook Holland , op ziehzelven fouverain was. Het kan, derbalven, een Stadhouder en Capitein- Generaal aanueemen, of verwerpen. De Uitfluiting, ten dien aanziene, is ééne der huishoudelijke zaaken, waar op men fchikking kon maaken, zonder de andere Gewesten te raadpleegen, die alleen zeggen hebben in {tukken , het algemeene Bondgenootfchap betreffende. Zij bekenden, dat hunne nauwe verbintenis aan de Staaten van Zeeland niet gedoogde eenen Stadhouder te kiezen, zonder hen te kennen ; doch de Verkiezing en Uitfluiting waren twee zeer verfchillende zaaken ; en Zeeland 'heeft te min regts, zich over ons te beklaagen, daar het, tégen onzen zin, den Prins voorgefchikt heeft tot Capitein-Generaal, en, in den jaare MDLXXIV, zonder ons te raadpleegen , de Oppermogenheid aan

Frankrijk wilde opdraagen. Zij voerden veele

voorbeelden aan, om te bewijzen, dat, fchoon een bijzonder Lid geen Vrede kon fluiten zonder de Bondgenooten , hier uit geenzins volgde , dat het geene Onderhandelingen mogt aanvangen , {trekkende om den Vrede te bevorderen. Althans mogt het afzien van voordeelen, die 't zelve alleen betroffen: 'er bijvoegende , (dit zeker was een fterke zet) dat, daar de andere Gewesten dit voordeel op zoo hoog een prijs ftelden, zij alle reden hadden, om dankbaar te zijn aan Holland, 't welk niet in twijfel hing, om

'er

Sluiten