Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mïft. NEDERLANDEN. 493

Éindelijk '9 die van Friesland en Groningen het meest 8e befchuldiging van ondankbaarheid hadden aangedrongen, vroeg men han, of zij dezelve niet meer verdienden dan die van Hólland, dewijl zij de eerRen geweest waren in het uitfluiten der Afflammehngen van de Grondvesters des Gemeensbests, Vorsten uit eenen anderen tak tot Stadhouders neemen de (*) ?

Zodanig waren de gemoederen vooringenomen en verbitterd, dat de uitgave der opgemelde Verdeedigmg alleen diende, om het misnoegen AttStadhoÜderigezinde Gewesten te vermeerderen. Joan de Witt, dien men , niet zonder grond, hieldt voor één der voorraamfte Opflelleren van ditftuk, geraakte temeer in den haat. Om zich te ontheffen van de blaam, dat hij de ASle van ÜttJTuitihg bij Cromwell verzogt hadt, beriep hij zich op het getuigenis der Afgezanten, Beverningk en Nïeüwpooat, die, onder eede, verklaarden , dat zij, noch iemand anders, huns wectens, op eenigerhande wijze, den Heere Proteclor inden mond gegeeven hadden, om de Uitfluiting van den Heere ï^rinfe van Oranj? als eene voorwaarde des Vredes te begeeren, gelijk zommigen hier te Landfcheenen te gelooveu , en de Afgevaardigden van Friesland ter Generaliteit te verftaan gegeeven hadden (f).

Zulk

(*) Narratio facit.

Ct) AlTZE.ma , III. D.bl. 1083. I084. J098. WlCQOEF.

Liv. VIII. p. 448. 449. Refoi.Holl. 1655.bl.7.enitfj». bl. 10. Basnage, p, 350, VI. Deel. 2. St. Q

StaatsRegee"

RINGi

Sluiten