Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oer. NEDERLANDEN. 553

Stad ; van de landzijde bezet en door de Ruiter te water aangetast, vondt zich zeer benard. Het Gefchut der Schepen, zo nabij liggende, dat het kon toereiken, brandde met geheele laagen onophoudelijk los, 't welk groote fchade, en nog meer fchriks, baarde in eene kleine Stad, vol gepropt met Ruiters en Soldaaten, daar binnen gevlugt. De kogels en 'yzeren bouten troffen Huizen, Menfchen en Paarden; de daken en fteenen vloogen herwaards en derwaards, en wondden of verpletterden, die de kogels verfchoond hadden. Niemand kon, in deezen nood,-, vlugten; nergens was uitkomst, 't gevaar overal, en de dood nabij. De Zweeden moeften zich op genade en ongenade overgeeven. Van de zesduizend man, uit welken hun Leger beftaan hadt, waren 'er tweeduizend gefneuveld , en vierduizend gevangen. Twee Veldoverfien, en eenige weinigen, waren het ontkomen, om den Koning tijding van deeze nederlaag te brengen. De Deenen erkenden de Nederlanders voor de Behaalers der overwinninge ; en de Zweeden, dat zij het waren, die hun den doodfleek gegeeven hadden (*).

Men verzekert, dat de maare van dit groot verlies den Zweedfchen Koning derrnaate trof, dat ze ' een hartzeer ten gevolge hadt , welk hem eerlang ] ten graave ileepte. De koude en het ijs beletten de Vloot, de overwinning verder voorttezetten." Ca-

hel

(*) Brandt, leeven van de Ruiter M. i87enz. BAsKAGg. 5<Jjc. 562. „

Staats-

regee•

rkng.

Mgemeeie Vrede n het Voorden.

166-7T

Sluiten