Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staats-

Regee» ring.

l66l.

574 GESCHIEDENIS

hebbende in dit fluk, uit hoofde van de groote Voorregten des Prinfen van Oranje in hun Gewest, zagen dit beflel met geen onverfchillig oog aan. Zij, zo wel a!s die van Holland, vonden zich gebelgd over den invloed, weike deeze befchikking aan vreemde Vorsten gaf op de zaaken des Lands. Het denkbeeld, dat de verheffing des Prinfen van Oranje het uitwerkzel zou fchijnen, niet van eene vrijwillige gunst, maar van 't gezag eener vreemde Mogenheid, ftootte geweldig. Die beide Gewesten , wier inzigten en gevoelens, voorheen, te zeer tegen elkander ftreeden, kwamen, vervolgens, overéén, dat men den Prins van Oranje niet tot Stadhouder van Holland en Zeeland zou aanftellen of voorfchikken , dan met gemeen goedvinden der Staaten van beide de Gewesten. Desgelijks beloofden de Staaten van Holland, met die van Zeeland in alle broederlijk vertrouwen te zullen handelen , wanneer zij , naa deezen, mogten goedvinden, de Oppervoogdijfchap over den Prins ts aanvaarden (*).

De Koning van Engeland, die , ondanks zijne gedaane betuigingen van\riendfchap', met Holland nooit recht verzoend was , gaf, van tijd tot tijd, meer blijken van misnoegen, bovenal tegen de Witt, alles in 't werk Hellende, om hem aftefchilderen als een geflagen Vijand van het Huls van Oranje , en

den

O De Witt, Brieven, t. D. bl. 448. en IV. bl. 16a. d'Estrades, I. D. p. 144-157- -8c>' Aitzema, IV. D, bl.-QÖ5 enz.

Sluiten