Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der, NEDERLANDEN. 61

te bekend als een ijverig voorltander der Engelfehen, om het verzoek van den Prins intewihïgen. Zuilenstein moest afflaan , met eene fchadelocsftelling van den post van Gouverneur , die aan den Heere

van Gend werd opgedraagen (*). Naa deeze

fchikkingen vervoegde zich de Witt , om te toonen hoe zeer hem het welweezen van Prins Willem ter harte ging, dikmaals verfcheide uuren bij hem, om lesfen in de Staatkunde te geeven ; fchoon hij, van den anderen kant , niet verzuimde alles aantewenden tot het verwijlen van het tijdperk , waar in de jonge Prins gebruik van deeze lesfen zou kunnen maaken. Dit gedrag verwekte gemor : doch men ging het te keer met te beweeren , dat het geene groote (taatkunde was, den Prins van Oranje tot eenige Waardigheden te verheffen, eer men zich ten vollen verzekerd kon houden , dat hij de Engelfche grondbeginzels , hem ingedrukt , geheel ontleerc hadt; en hier toe was tijd noodig. De infchiklijk heid en onderwerplijkheid, welken de Prins betoon de voor de Witt en de .staaten , deeden toen reed; een oordeel over zijn charaéter vellen, 'tvvelk detijc bewaarheid heeft. „ De Prins ," zeide d'Estra des , ,, heeft verftand, en hij zal verdiensten krij „ gen. Hij weet fchoon te veinzen, en ver

„ zuim

(«) De Wht, Brieven II- D. bl. 230. 235- =+7- 2"° 252. Refol. Holl. 1667.W. ci. Aitzema, V. D.bl. 792-7SM 804. De GtjictiE , p. 225. d'Estrades , IV. p.223. 224

StaatsRkoee-

RliNO.

Sluiten