Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 9?

, IV. Dat de Edelen en de VroedfchappenderSte„ den, de Leden der Vergadering van hunne Ede. „ le Groot Mogenheden , en de Raadpenfionaris, „ bij Eede, zouden moeten belooven , de voorge„ melde punten heilig en opregt te zullen helpen „ handhaaven.

„ V. Dat het gemelde derde punt in de Inftruc„ tien voor den Capitein- en Admiraal-Generaal „ zou worden gevoegd; en deeze, bij Eede, ver„ bonden worden , om daar tegen nimmer eeniger-

lei verzoek te zullen doen , en het Stadhouder„ fchap, zo 't hem , buiten vermoeden , ten eenigen 9, tijde, mogt opgedraagen worden, van de hand te „ zullen wijzen."

De Staaten van Zeeland betuigden grootlijks hun misnoegen, dewijl men in Holland bedot en hadt, het Stadhouderfchap te vernietigen , zonder dit Gewest te kennen, drijdig, zo zij beweerden, roet het voorgeeven, om den Prins van Oranje, in tijd en wijle, tot alle de hooge Waardigheden zijner Voorzaaten te willen bevorderen; althans des aangaande niets, zonder Zeeland, te zullen vastdellen. De Voordanders van het Huis van Oranje verbaasden zich over deezen dap van Holland. En hoe groot moet de ontroering niet geweest zijn van den Prins zeiven, dien men dit Eeuwig Edicl door eene daatlijke Bezending bekend maakte. De Raadpenfionaris de Witt weigerde niet, die boodfchap op zich te neemen. Bij het adeggen van dezelve den Prins betuigende , dat het gedrag zijns Vaders alle deeze maatregelen . tot

VU. Deel. Q be-

Staatsreceb-

ring.

Misnoegen over 't Eeuwig Edicl.

Sluiten