Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dek. N E D E R L A I, fi ü N. 173

„ onze Leermeesters in de Staatkunde, hadden het „ Ofiracismus ingevoerd ,■ Om elk Burger, die ge„ vaarlijk wierd door de bewondering , welke zijne „ uitmuntende begaafdheden of fchitterende diens„ ten in de gemoederen der Volken verwekten , te ,, verbannen. De groote bezittingen in den Lande; „ wel verre van eene beweegreden tót verknogtheid „ opteleveren, hebben de Friezen zo gevaarlijk toer-

gefcheenen, dat zij den Stadhouderen van hurt „ Gewest het vermeerderen daar van ontzegd heb„ ben. Verbintenisfen met Vreemden zijn eer ge-

vaarlijk dan nuttig. De oude Batavieren hadden „ ze wijslijk hunnen Hoofden verboden." Hij toonde , te dier gelegenheid , „ dat, in eenen Vrijen „ Staat, de verbintenisfen met Vreemden gevaarlij-

ker waren dan in een Land, waar de Vorst de „ volkomene Oppermagt bezit, en geene andere be„ weegreden heeft dan 't belang van den Staat , of „ den geest van heerschzugt, altoos fterker dan de „ banden van bloedverwantfchap." — Zeer werd deeze reden toegejuicht; doch ze was van geene uitwerking : de Tegenpartij hadt de meerderheid gekreegen, en de Prins zitting in den Raad van Staate verworven. De gemaatigdheid , die de Witt betoonde in eene zaak , welke hij niet langer kon keeren, bragt hem in agting bij beide de Partijen. De jonge Vorst verheugde zich over zijne bevordering, en vormde de ftreelendfre vooruitzigten. Hij ftondt 'er na , om zitting te neemen in de Vergadering der Algemeene Staaten ; maar deeze eerzugt

ftoadi

Staats* Regee* ring.

Sluiten