Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oer NEDERLANDEN. 227

de Rhijn hier door op zommige plaatzen waadbaar was. Het blijkt, dat men vermoeden hadt , of de Vijand zich ook van dit voordeel zou bedienen „ dewijl de Prins van Oranje zich, bij Arnhem, langs den Tsfel legerde , en Jan Barton de Montbas, Commisfaris-Generaal der Ruiterije van den Staat, de Betuwe, op drie plaatzen, met zijn onderhebbend Paarden- en Voetvolk, tusfchen Heusfen en het Tolhuis , bezetten moest. Hij hadt dezelve, onder voorwendzel , dat ze niet houdbaar waren , verlaaten. De Prins van CoNDé in eigen perfoon, door acht Lieden vergezeld, om de diepte der Riviere te onderzoeken, dagt, dat Montbas zich van daarbegeeven hadt, om den Vijand in eene hinderlaage te lokken , en met meer magts op denzelven aantevallen, indien hij het doorwaadën mogt onderneemen. Hij liet, derhalven , eene andere waadbaare plaats opzoeken : en den Graaf de Guiche werd dit Ruk toevertrouwd. Tot Gids nam deeze een RoomschCatholijken Boer uit die ftreëk , dien dikmaals de moed ontbrak, zo dat hij hem geduurig met Brandewijn het hart moest fterken. De waadbaare plaats was onder het gefchut van een zwaaren Tooren, bij het Tolhuis. De Graaf den Stroom waadbaar bevonden hebbende, brandden de Franfchen, om, onder 'toog van hunnen Koning, dien overtocht tebeftaan. De tegenoverkant werd bewaakt door een grooten hoop Staatfche Ruiters, onder den Generaal Wirtz , fvan den Prins in Rede van Montbas derwaards gefchikt. De Graaf de Guiche ging eerst in de Rivier ; en \ P 2 de

Staats-

PvEGEE-

RirsG.

Sluiten