Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 231

Thiel, Buur en, Leerdam, Tsfelflein, en verfcheide andere niet te verdeedigen zijnde, namen vrije hoede van de Franfeken (*), Elke vermeestering deedt den moed der Overwinnaaren aangroeijen, en deverflagenheid der Verwonnenen toeneemen. De Prins van Oranje, fchoon voorzigtiger dan men van zijne jeugdige jaaren wagten kon, was nauw aan 't opperbewind des Legers gekomen , en hadt het vertrouwen niet der Krijgsknegten, 't geen een bekend Legerhoofd inboezemt : de geest der partijfchap , door 't algemeen gevaar niet uitgedoofd, veroorzaakte bij wijlen tegenftrijdige bevelen, welke voorwendzeis van verontfchuldiging verleenden aan veelen, die zich van hun post en pligt niet kweeten. Het was niets anders dan eene geduurige en fchielijke opeenvolging van vermeesteringen. Men hoorde , om zo te fpreeken, in den Raage de tijding van het verlies der Steden, eer 't gerugt, dat ze berend en bedreigd wierden , vernomen werd. Al de wereld ftondt verbaasd, dat in een Gewest, nog zo weinig jaaren geleden de leerfchool van Eumpa, om zich in belegeringen te oefenen , de meefie Plaatzen het openen der Loopgraaven niet afwagtten, of zij fielden zich in 's Vijands handen.

Op dit verder en verder doordringen der Franfchen hadt de Prins van Oranje met het Leger zich na Utrecht begeeven. Gaarne zou men deezen hier hebben gehouden. Maar de Algemeene Staaten oordeel»

(*) Valkenier, I.D. W. 480—.487.

P 4

Staats-

Regee-

ring.

De Franfchendringen dieper in,

Gefteldheid van hec Lsger der Stas. ton.

Sluiten