Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN.] 295

dat men Frankrijk moest aanzeggen , dat 2ijn eisch onaanneeinelijk was, zondermeer; maar dat men den Handel met Engeland moest leevendig houden. Hol land en de Algemeene Staaten fchikten zich naar 's Prinfen gevoelen (*). Te vreemder was die handel, dewijl 'er geen twijfel meer over bleef, of de beide Koningen ftemden volftrekt zamen, om het Gemeenebest te onder te brengen: de boven aangehaalde Brief der Gezanten 'm Engeland (f) bevestigde zulks. Lodewijk de XIV. hadt zich van zijne gewoone en altoos onfeilbaare middelen bediend , om de Staatsdienaars van Carel den II. te winnen. De Engelfche Vorst, bedroogen door zijne Gezanten, geloofde, dat de zaaken van 't Gemeenebest reeds in eeneii geheel raad- en redloozen toeftand waren, en het veiliger was, den buit te deelen, dan de zwakken bijteftaan tegen de drukkende overmagt. De Staatsdienaars vergaten alle beloften, met welken zij den Prins van Oranje geftreeld hadden. Deeze jonge Vorst, gebelgd, dat zij zo weinig agts op zijne belangen en perfoon floegen, ontftak in toorn tegen de beide Koningen en tegen hunne verwoestende ontwerpen (§).

Niets bragt meer toe, om den Engelfehen Staatsdienaaren allen vertrouwen te ontneemeh , dan hnnne trouwlooze handelingen ten opzigte vandenLand-

voogd

(*) Aant. van den Penjion, Hop van den iijuly 1762. Mf.

Ct) Zie hier boven.

(§3 Basnase, tl. p. 3 6a,

Staat*. Reges-

ring.

Befluic op de voorflagen vaa Frank• rijk en Engeland*

Sluiten