Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

325 GESCHIEDENIS

Willem de IILj

Zesde

van welken men met alle reden alles goeds mogt verwagten , Itilde de oproerige beweegingen niet, noch dekte de Regenten tegen 's Volks argwaan. Men verzogt zijne Hoogheid , een ftreng Plakaat, door hemzelven zo noodig gekeurd, te laaten uitgaan ; doch hij ontweek dit, met voortewenden, dat de beroerten den oorfprong hadden bij Burgerhoplieden en voornaame Burgers, tegen welken de Plakaat en vrugtloos zouden weezen. Beter keurde hij eene Bezending na de Steden. De Staaten vonden deezen raad goed, indien zijne Hoogheid zich aan 't hoofd deezer Bezending voegde: maar hier toe wilde hij niet verftaan , om dat hij dan alle Steden zou moeten bezoeken, 't welk meer tijds zou kosten dan hij uit het Leger kon blijven (*).

(*) Aant. van hit voorgevallene in 't jaar 1672. Mf» Refol.Holl. 1672. bl 263.373. Aant. van de Raadpenf. Vivien en Hop, van den 15. July 1672. Mf.

Sluiten