Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

334

GESCHIEDENIS

Willem

BE lil.

Brief van den Print van 0ranje aan

ȣ WiTT.

„ land, en ook, voor een gedeelte, de Gecommit„ teerde Raaden, het befchik over deeze fomme ge„ had hadden; dat, naar zijn beste geheugen , 't geen, met zijne kennisfe, door de Gecommitteerde Raaden van de genoemde penningen uitgegeeven was, geene zesduizend Guldens in 't jaar bes, loopen hadt, en dat geen heller of penning daar „ van door zijne handen gegaan was." —■ De Gecommitteerde Raaden, de Getuigen , op welken hij zich beriep , bevestigden zijn fchrijven, met de verklaaring, ,, dat zij niet wisten, dat hij, zo lang zij 3, zitting in het Collegie gehad hadden, eenige pen„ ningen tot geheime diensten en verftandhouding „ hadt ontvangen (*>"

Wijders lag men den Raadpenfionaris ten laste, het Leger flegt bezorgd te hebben. Hier over , en wegens het eerstgemelde punt, oordeelde hij het dienstig, zich met eenen Brief tot den Prins van Oranje te vervoegen, met klagten over de fchennis zijns naams, en verzoek van geregtvaardigd te worden. Maar hij ontdekte welhaast, dat die Vorst de hinderpaalen, door de Witt aan zijne verheffing gefield, niet kon of niet wilde vergeeten. Het antwoord is zeer ingewikkeld, en ontdekt ons het chatacter van een Prins, wiens gedrag één der hoofd, voorwerpen in het tegenwoordig Tijdperk der Gefchiedenisfe uitmaakt. Naa zijne veragting betuigd te hebben van het Pasquil, nevens den Brief gevoegd >

(*) Re/ol. HelU 167a. bh 10. 34.

Sluiten