Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de& NEDERLANDEN. 343

hadt; dat zulks bederflijk voor het Land was, „ konnende de Prins ligtlijk met de Dogter van de ., eene of andere Mogenheid trouwen, en het Land „ aan eenen vreemden Heer brengen; dat het, ein„ delijk, 'er onder of over, buigen of barsten moest, „ en het in 't Land niet wel zou gaan , of de Prins „ moett van kant. Dat 'er wel dertig voornaame „ Leden waren , die 't hier op hadden toegelegd, „ doch dat Tichelaar het moest volvoeren door „ vergif, daal of fchietgeweer. Dat Tichelaar 'er ,, zich ook bij eede toe verbonden hadt , bewoogen „ door eene belofte van dertigduizend Guldens , en „ 't Baljuwfchap van Beljetiand. Dat de Ruwaard „ hem zes zilveren Ducatons op de hand hadt gegee„ ven. Dat hij, hierop ten huize uitgegaan, en,

naa verloop van acht dagen, uit wroeging, zo ,, hij zeide, over de fnoodheid van het ftuk, waar „ toe hij zich verbonden hadt, na het Leger bij Ba„ degraave vertrokken was , en alles aan den Heer „ van Albrandswaard, Hofmeester van den Prins, „ en vervolgens aan den Heere van Zuilenstein ,3 ontdekt hadt: en , met den eerstgemelden Heer „ na den Haage gereisd, hadt hij 'er den Priqs be-

rigt van gedaan, en deeze het Hof des kennis ge„ geeven (*)•"

Van 's Ruwaards zijde werd erkend , dat Tichelaar , ten gemelden dage, omtrent een vierendeel

uurs

(*) Verhaal va» het gepaleerde tuifchin Tichelaab. en Mr. Coa.n. de Witt, gedrukt 1672.

Willem de III.

Verdeedigingdes Ruwaards.

Sluiten