Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 345

s, de, gezégd hadt, dat zijne Hoogheid mogelijk zou ,, trouwen met de Dochter van zekere Mogenheid, en dat men dit moest zoeken te beletten. Wsarop hij hem belast hadt te zwijgen , alzo hij daar van niet hooren wilde: ook dat de Ruwaard hem 5, niet kende; doch daar naa van zijne Htiisgenooten „ verftaan hadt , dat hij de Barbier van Piershil j, was."

Alle deeze omftandigheden zaniengenomen , en Wel overwoogen zijnde, oordeelden de Vrienden des Ruwaards, dat de befchuldiging , tegen hem ingebragt, niet alleen allen grond, maar ook allen fchija van waarheid derfde. Hoe kon men gelooven , dat de Ruwaard aan eenen Onbekenden eene zaak van zo veel gewigts zou toevertrouwd , in een vierendeel uurs dien boozen toeleg ontdekt, en hem tot het medepleegen daar van overgehaald hebben ? Wié kon denken, dat hij onvoorzigtig genoeg zou zijn, om van een geheim gefprek met iemand, dien hij veronderfteld wordt tot zijnen wil bewoogen te hebben , kennis te geeven aan Burgemeesteren van Dordrecht ; en zelfs melden , dat dit onderhoud den Prins van Oranje betrof? Eene onvoorzigtigheid, die bij wederflag op zijn eigen hoofd moest t'huis komen, indien de aanflag op 's Prinfen leeven eens beftaan was , gelijk men onderftellen moet, dat hij verwagtte. Daarenboven ftondt de befchuldiger ter kwaader faame ; een en ander Vonnis, over misdaaden van aanbelang., was door het Geregt van

VU. Deel z.St. ' D Piers*

Willem de 111.

Sluiten