Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

346 GESCHIEDENIS

Willem de 01.

De, Ruwaard van een (legt gedrag op 's Lands Vioot befCbuldigd,en door de Ruiter, des gezuiverd.

Piershil en de Vierfchaar van Putten over hem geftreeken (?>

Noch de redenen van den Ruwaard ter zijner verdfëdiginge, noch de ongenoegzaamheid van het éé« nig getuigenis eens eerloozen, kon het Hof beweegen, om den Gevangenen te ontflaan. Zijne Vijanden , ziende dat men den val deezes Mans zogt, wilden dien verhaasten; door nadeeh'ge gerugten, wegens zijn gedrag op 's Lands Vioot, te verfpreiden. Men vertelde , 't was geene onpasfelijkheid, die hem van de Vloot hadt doen t'huis komen, maar hij was met de Ruiter in gefchil geweest, die hem eene wonde in den arm hadt toegebragt: hij hadt tegen 's Lands Vijanden, en bovenal tegen de Franfchen , niet willen flrijden , en 't hervatten van den Itrïjd, naa den (lag voor Soulshaai, belet. Gemaklijk kon deeze zaak nagevorscht worden. De Raadpenfionaris fchreef aan de Ruiter. Deeze vaardigde terftond eenen Brief af ~aan de Staaten van Holland, zijne hoogfte verwondering betuigende over 't geen hem uit het Vaderland was te vooren gekomen : als mede , dat alle die gerugten volftrekt vercierd waren : met aanroeping van Gods naam verklaarende, met den Ruwaard van Putten, als Afgevaardigden en Gevolmagtigden op 's Lands Vloot,

in

(°) Colifid. en Vert. van de Huisvrouwe en Vrienden 'van C. ds WITT, gedrukt 1679. Aant, van den Penfivn. BoPi van denap, July iéfs. Mf.

Sluiten