Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348 GESCHIEDENIS

Willem de HL

door pijniging eene bekentenis uit den mond des Befchuldigden wilden baaien, welke hem in 'toog des Volks en der Naakomelingfchappe ichandvlekte.

De Huisvrouw, de Bloedverwanten en de Vrienden des Ruwaards leverden een allerdringendst Vertoog in, om zijn ontflag te bewerken. Zij wraakten de aanklagte eens eerloozen, zonder bewijs en zonder getuigenis, tegen een Burger van aanzien, die den Lande groote diensten gedaan hadt. Zijbeweerden, dat'er, gelijk naar Regten behoorde, geen blijk altoos was van e'en Corpus delltli, gelijk de Regtsgeleerden fpreeken, dat is , in het tegenwoordig-geval, dat men nog geen bewijs hadt van eenige zamenzweering tegen het leeven van den Prins; veel min, dat de Ruwaard daar aan fchuldig ftondt. Zij beriepen zich op 't getuigenis desKnegts, die'tgefprekgehoord, en hierop, dat de Gevangene den Eefcbukiiger terftond bij de Regeering bekend gemaakt hadt; met bijvoeging , dat Tichelaar bijzondere redenen van wrok hadt tegen den Ruwaard , die , eenige jaaren geleden, hem in eene geldboete verwees (*). Maar alle deeze en meer redenen van verdeediging waren vrugtloos, en het ontdekte zich hoe langs hoe klaarder, dat het Hof geheime redenen meende te hebben, om met den Ruwaard ten ftrengiten te handelen. Deeze agtenswaardige, doch ongelukkige , Burger , in één verhoor zijnen Aanklaager van twee valschheden overtuigd hebbende, verzogt, herhaalde keeren , maar

vrugt-

(*) Vertoog en Ampliatie, bl. 16.

Sluiten