Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. NEDERLANDEN. 351

kamer. Schoon 'er nog niemand der Heeren tegenwoordig was , voer de Scherpregter voort met het hem bevolen werk. Vergiffenis verzogt hebhende voor 't geen hij hem zou aandoen , ontblootte hij den Gevangenen zo verre, dat hij alleen een onderbroekje aanhieldt, en zette hem voorts de fcheenfchroeven. Op het zeggen van de Witt , gij doet mij al pijn aan, eer de Heeren hier zijn, antwoordde hij, dat het hem belast was ," en zette de pijniging voort met zo veel nadruks, dat de Ruwaard, onverduldig wordende, uitriep : Gij Schelm! is mij dat pijn aandoen , ik zou u wel een klink om de ooren geeven. „ Klaagt gij reeds," hernam de BeuU „- 't zal 'er nog wel bet op aankomen: ik zou u raa„ den maar te bekennen, want gij zult de pijn niet kunnen wederftaan." Hoe, antwoordde de Witt, kan men bekennen 't geen men niet gedaan heeft ? Toen werd hem aan ieder teen vijftig pond gewigts met een dun touw, vol knoopen, vastgemaakt , en hij, bij de armen, agterover, omhoog gehaald , tot dat de katrollen aan elkander ftietren, waarop men hem heen en weder flingerde. Te midden in deeze geweldige en eishjke pijniging, traden de Raadshee.ren binnen, en voerden den ek-ndigen te gemoete : „ Beken uwe misdaad!" Doch hij, geens misdaads, die zij hem wilden afpersfen, bewust, zeide: Rukt en fcheurt mij aan f ukken, gij zult 'er nooit uithaalen, 't geen 'er niet in is. Zij drongen aan, dat hij zou bekennen. Een verontwaardigend oog floeg de Lijder op de Heeren,- de Deugd gaf hem kragt, en

Pt M

Willem de III.

Sluiten