Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 359

gevangenis, of deeze riep, verwonderd, uit : Ach! mijn Broeder, wat komt gij hier doen ? Hoe ! hervatte de geweezene Raadpenfionaris, hebt gij mij niet ontbooden. ? Als deeze dit ontkende, begonnen zij te vermoeden, dat 'er iets kwaads tegen hen werd gebrouwen (*).

Nauwlijks was Joan de Witt bij zijnen Broeder, en dus ter bedoelde plaatze, of Tichelaar ging na buiten, en werd door iemand, men weet niet wie, aangezet, om overal in den Haag bekend te maaken, dat de Broeders beiden in de gevangenis waren. Hij kweet zich onvermoeid van den opgelegden last , de vinnigfte befchuldigingen tegen de Witten uitbraakende, hier in onderfteund door een welbekenden Ligtmis, ia de wandeling Jonker van der Moezel genoemd. Daarop begaf Tichelaar zich na de Kastelenije , met luide ftemme , uit een open raam , den Reeds aangroeijenden hoop Volks toeroepende ,„ dat „ de Ruwaard flegts om de leus gepijnigd was; dat „ men hem het hoofd voor de voeten hadt behooren ,, taleggen, doch dat men hem alleen van zijne Amp„ ten beroofd en gebannen hadt, om dat de Regters „ zo wel fchuldig waren als hij." Voorts, liet hoofd ten venfter uitfteekende, om te beter gehoord te kunnen worden, fchreeuwde hij het Graauw toe, , dat s, die Hond welhaast met zijn Broeder zou afkomen;

u doch

(*) Basnage, II. p. 306. Wagenaar, Vadert. Hi% XIX. D. bl. 157. 't leeven van de Broeden de Witt Ui bl. 438.

Willem

de lil.

Tichelaar.ftookt hefc Volk op.

Sluiten