Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36o

GESCHIEDENIS

Willem de 111.

JoAN de WllT

naa te O: tkosneu.

5, dnch dat het nu de tijd nog was, om het te belet3, ten: dat men zich eerst aan deeze twee Schelmen „ wreeken, en daar naa de anderen, meer dan dertig „ in getal, ftraffen moest!" Deeze oproerige taal, zo zeef trrookende met de gaande gewordene driften des Volks, werd beantwoord door de Burgers met lier geroep, Wapen! Wapen ! en door de heffe des Volks, Moord 1 Moord! Verraad! Verraad'. Onder dit verward gefchreeuw ftreefde de menigte na de Gevangenpoort als om ftrijd , wie de eerfie zou weezen , om de handen aan de twee Broederen te (laan.

De Klerk van den geweezenen Raadpenfionaris, gezonden om een Affchrift der Sententie van den Griffier te haaien, kwam niet terug, ende menigte Volks voor de Poort nam hand over hand toe : dit maakte hem ongerust, en deedt hem befluiten , om, ware 't mogelijk, alleen uittekomen* Hij kwam bij de Poort; doch één der Burgeren beet hem toe: Hier

mag niemand uit! Op zijne vraag , waarom

niet, Mannen ? gij weet immers wie ik ben, riepen

anderen , wij hebben 'er geen last toe ! Wat last,

hernam de Witt, moest gij hebben? Vaneenen

Officier, was het zeggen. Hieröp ontfiondt een gefchreeuw: Schiet! Schiet! Met behulp van één

ztjner Klerken kwam hij weder binnen, en men kreeg de deur toe. Eene andere deur, om agter uittekomen, was 'er niet. Hij vervoegde zich weder bij zijn Piroeder, vol ongerustheid, bij herhaaling zeggende : Ik zvenschte, dat ik hier van daan was! Hóe kom ik hier nog van daan !

De

Sluiten