Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. NEDERLANDEN. 339

jaarlijkfche achthonderd Guldens lieten trekken, „ als te vooren." De tijden waren veranderd : en men kan ligt bevroeden , dat Tichelaar met dit onbefchoft en haatlijk verzoek niets opdeedt. Armoede en gebrek was het welverdiende loon dtezes Schandbroks: in den hoogen ouderdom liep hij* op krukken in den Haag bedelen, zonder dat bijkans iemand, die hem kende , eenig medelijden met hem toonde. Een elendig leeven, tot het jaar MDCCX1V. gerekt, en door de knaagingen van eenbefchuldigend geweetcn nog rampzaliger, bezuurde hij. Meer dan ééns bekende hij, onder vier oogen , dat hij den Ruwaard valschlijk befchuldigd, en den dood der twee

Broederen veroorzaakt hadt (*). Jan van Vaa-

len klaagde dikwijls, dat God hem ftrafte, dat zijne neering verliep, en elk zijn huis fchuwde. Om dit leed te verzetten, gaf hij zich aan den drank over, en toonde, dronken zijnde, een Piftoolaan hen, dit bij hem kwamen, zeggende: Zie daar het Piftool. Waar mede ik den Raadpenfionaris in zijn nek trofi Gevraagd, of hij nooit berouw gehad hadt over dit bedrijf, antwoordde de ongelukkige; Hadt ik zo vee JDakaaten, als ik keer en des berouw gehad heb , ih zou een rijk Man zijn : het meest van allen kwel mij. dat ik mij altoos verbeelde den Raadpenftonari aan mijne zijde te hebben: ik kan mij niet ontdoen vat die kwelling; deeze zal mij verfcheurenQj). Dat

(*) Wagenaar Faderh Hift. XLV. bl. 180, BasnagE: als boven.

(f) Van der Hoeve, bl. 43L F 4

DE IIÏ*

t

j I

Sluiten