Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 393

jjetj, _— Ook zouden de voornoemde Wethouders, om dit ontilag, niet mogen geagt worden zich in den dienst van den Lande kwalijk gekweeten te hebben, of in hunnen goeden naam en faam gekrenkt te zijn ; zélfs zouden, zij , nevens hunne Huisgezinnen en Goederen, genomen worden in de befcherming van zijne Hoogheid ; met waarfchouwing aan elk , op verbeurte van lijf en goed, om hen in geenerlei opzigt te beledigen (*).

Schoon de noodzaaklijkheid zomtijds de Oppermagten Wetten doet voorfchrijven, welken in zichzeiven onbillijk zijn, en alleen,om erger te voorkomen , door de vingeren gezien worden , kwam het afzetten van zo veele Regeerings - perfoonen , van geen misdrijf of flegt beleid befchuldigd , billijke Oordeelaaren hard voor. 't Is waar, in 't gemelde Staatsbefluit wordt verkiaard, dat zij, die, in gevolge' van 't zelve , van hunne Ampten veriaaren wierden, daar door in bunnen goeden naam niets zouden lijden; doch zulks vergoedde hunne verloorene eer niet, noch Relde hen fchootvrij voor 's Volks Veragting en haat. „ Zijn de Regenten," dus redenkavelde men, „ onfchuldig, dan is het een fchreeu-

wendonregt, hén aftezetten ; zijn ze fchuldig, p, dan kunnen zij 1 unnen goeden naam niet behou?, denj zonder voor h.t misdrijf een aanmoedigend „ fteunzel te geeven. — De Regeering werd in

alle

(*) Refol. Holl. 1672. bl. 171. Valkenier, L D.Bijtj Plo.rja. bh 136.

fII.Deel.z.St% Q

WlLLEIft LE HL

Sluiten