Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

486 GESCHIEDENIS

DE III.

;

die (gelijk wij wceten) geen gezrr overonshadden, en wïen wij in 't regt van Majefteit niet behoefden le wijken , en dus , uit kragte van het Verhond, verpligt waren om de Regten van ons Gewest te verdeedigen, aan éénen (niet aan eenen S:ac!houder der Provincie, welken wij toen niet hadden , maar aan eenen Opperbevelhebber van het Leger,) eene

Koninglijke Magt ever ons toegedaan. Van

daar is eene nieuwe Rejieeingsvorm in onzen Staat voortgekomen en eene nieuwe Magifiraat gekoozen : ook meer dan honderd en twintig , alleen van de Stad Utrecht, van allerlei rang, Burgers, Edelen en Volkelingen, over geene misdaad van leevensgedrag of van beklecde Ampten befehuldigd, zijn van hunne Waardigheden , Eerampten en Bedieningen ontzet geworden, en een groot deel van die Ampten op Bijwoonders en Vreemdelingen overgebragt; terWijl zor^migen verder de Regten , anderen de Landen van ons Gewest , welken zij meenden hun van gebruik te kunnen zijn, na zich trokken, om ons, elendigen , door allerlei onheilen geheel afgemat, toet nieuwe elenden te overftelpen. Zal 'er,

in 't vervolg, aan iemand iets als wreed kunnen voorkomen, begaan tegen Vijanden , daar zodanig eene bitterheid heeft plaats gehad tegen Vrienden en Bondgenooten ! Deeze dingen reg ik met fmerte, niet op eene vijandige of fma£dcnde wijze: ook denk k niet, dat de wreedheid zo verre zal gaan, dat zij ïen , die met droefheid overftelpt zijn, niet zouden

oelaaten te weenen. Toen hebr gij, mijn

Broe.

Sluiten