Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5<>S GESCHIEDENIS

Willem

DE III.

„ zag zou gezogt hebben (*)." Holland ont¬

ving des , zo veel wij vinden, geen fchriftlijk befcheid j doch , ftaande de raadpleeging , hadt dit Gewest 's Prinfen meening zoeken te onderlasten door den Raadpenfionaris, die voor befcheid bragt, dat de zaak den Prins onveifchillig was, en dat hij hierom zijne bijzondere genegenheid niet melden Jton. Dan het verfchillend gevoelen der Leden, hem fchriftlijk medegedeeld, ontdekte hein de ongezindheid eeniger voornaame Steden , en hoe fterk

deezen tot afraaden neigden (|). Doch zeer

was zijne Hoogheid geërgerd over de Zeeuwen. De Staaten van dat Gewest hadden bij een Alfchlift van de raadflagen der onderfcheidene Leden eenen Brief gevoegd, vol betuigingen van hunne gehegiheid aan tle tegenwoordige wijze van Regeering; doch hem raadende, de aanbieding der Hooge Regeeringe van Gelderland afuflaan , naar het loflijk voorbeeld van Gideon , wien Ifrael, door hem uit de flaavernij der Midlanhen verlost , diergelijk eene aanbieding gedaan hadt (§;. — Breedvoerig, zeer Iterk , en vol ftrenge aanmerkingen was het antwoord van zijne Hoogheid, en waardig hier hoofdzaaklijk plaats te vinden, dewijl de denkwijze ven den Prins daar io jeo kragtig d lorflrnalt, en het teffens kan dienen om te ontdekken , wat hij aan zommige afraadende' Leden van Holland zou geantwoord hebben.

Naa

(f) Tweejaar. Cefch. bl. 47Z.

(t) Cejchr. Aart. van deezen tijd,'

(§; Holl. Merc. 16/5. bl. 24.

Sluiten