Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 517

„ moed laat vallen." Neen, Mijn Heer, was

het moedig antwoord des Zeeheids, ik laat den moed niet zakken. Ik heb m%n leeven veil voor den Staat; m ar het verwondert en fpijt mij , dat de Heeren de Vlag van den Staat zo veil hebben, en roekloos waagen. En wanneer, omtrent dien zelfden tijd, ee> nige Heeren hem verzoeten, dat hij, niettegenftaan» de zijne bedenkingen hier tegen, evenwel in zee wilde gaan , was zijn woord : De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden; en, al werd mij bevolen 's Lands Vlag van één enkel Schip te veereH., zou ik daar mede in zee gaan. en daar de Heeren hunne Vlag vertrouwen, zal ik mijn leeven waagen. Eenigen zijner Vrienden meenden , dat hij voluit moest weigeren met zulk eene geringe Scheepsmagi dien tocht te onderneemen ; dan hij gaf hun te ver ftaan : Ik ben een Dienaar van den Staat , en mag mijne Meesters niets weigeren. Geheel voorgewen' de of ligte ongeftehsheden dienden veelen meermaaler ten dekmantel, om zich met goeden fchijn aan eer onaangenaamen opgelegden last te onttrekken; doei weezenlijke lichaamskwaaien en pijnlijke ongemakkei konden de Ruiter , hot zeer zijne Vrienden 'er oj aandrongen, niet te rugge houden van deezen tocht Hij wilde dien Joen , al zou men hem na V Schij draagen. Van dezelven fpoedig herfteld, nam h affcheid van zijne Huisgenooten , Vrienden en Bé kenden. Opbeuring en vertroosting was anders b 't affcheid in zijnen mond, maar thans befpeurde el in hem eene vreemde en ongewoone bekommerim P 4 E

Willem de 111.

1

l I

)

»

ij k

it

Sluiten