Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

57A GESCHIEDENIS

Willem dk III.

kenen van den Vrede, geene vijindh'jkheden dttgtte, en dus overvallen wieid (*). Doch zijne Hoogheid fchreef, den vijftienden van Oogstmaand, aan den Raadpenfionaris: „ Ik weet niet. hoe onze Luiden dit gevegt zuilen opneemen; maar ik kan u voor „ God betuigen , dat ik niet voor van daag , op „ den middag, uit uwen Brief van den dertienden, „ heb verdaan, dat de Vrede gefloten was." De Hertog heeft, eenige uuren voor het gevegt, door Brieven uit Nieuwmegen, kennis gehad van het fluiten van den Vrede, fchoon hij, van wegen hei Hof, des geen berigt bekomen hadt dan op den zestienden dier maand. Vreemd in de daad was deeze agterüjkheid in het kundfehap zenden aan zijne Hoogheid; doch dit zal misfehien opgelost, en teffens de verdenking , dat zijne Hoogheid , kundig van den Vrede, den flag aanving , opgeruimd werden , als wij aanneemen , dat de Markgraaf de Grana de Brieven aan den Prins, om hem van de tekening des Vredes te onderrkten, daags voor den flag onderfchept en ag ergehouden hadt, in hoope dat die flag het geheele Vredeswerk zoude bederven (f).

Wij

(*3 Negtfift, du Cemie d'Avaux, Torr, I. p. i0. Danul Journal, p. i j3. Fidquieivfj Mem. Hifl% g* Milit. Tom. L p. 152, & Tom. II. p. 57. Tintli Mem. p. «35.

Cf) Temple Mem. p. 633. Htil. Men, i6;S. bl. 1S0 188.

Sluiten