Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. }

ring de dood van Willem den III, ten opzigte hunner Staatsgeftelteniffe , hadt te wege gebragt: hij verklaarde , dat de Koning , zijn Meester, geen gebruik wilde maaketi van de aanzienlijke Krïjgsmagt, reeds op de been gebragt, zonder de Staaten nog ééns te herinneren, wat zij aan de vriendichap der Koningen, zijne Voorzaaten, eu aan zijne poogingen tot het bevestigen van den Rijswijk/enen Vrede verfchuldigd waren, 't Hadt aan den Koning niet gehaperd, dat deeze bloeijende Staat, wiens geluk beftendiggeweest was , zo lang men de nauwe verééniging met Frankrijk voor één der hoofdregelen van de Regeering gehouden hadt, niet genooten zou hebben eene jangduurige rust en a'le de voordeden des Handels, bij de jongde Verdragen met Frankrijk toegedaan. — Liever hadt zijne Majefteit het verwijt van zwakheid en wantrouwen op zijne eigene kragten geduldig willen verdraagen , dan, om'hun deezenwaante beneeraen , zijne wapenen wenden tegen Volken , die hij nog met een oog van genegenheid aanzag. —■ Hij hieldt zich ook verzekerd, dat de Staaten zich door belang genoopt zouden vinden, om te beantwoorden aan deeze genegenheid , zo ras zij dien Tijd van Vrijheid wederom beleeven zouden , waar in zij de vriendfehap van Frankrijk zouden mogen aanmerken als het zekerst fteunzel van 't Gemeenebest: zo lang zij een lïrijdig gedrag gehouden hadden , waren zij in een Jlaat van Bedwang ceweest, en dit bedwang was oorzaak van alle de flappen, gedaan ten nadeele van den Koning, zijnen Meester, en deszelfs Klein1 " i zoon,

STAATSIE tGEE "

ruw.

Sluiten