Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

$taats-

Regee-

«

< t f 1 1 li d

C g<

*ft> GESCHIEDENIS

„ hoope, dat de zuiverheid mijner oogmerken de» „ zegen des Aimagtigen aan mijne wapenen zal 3, fchenken.

Ik fchrijf aan de Aartsbisfcboppen en Bisfchopt, pen mijns Koningrijks, om den ijver des gebeds „ m hunne Kerken en die des Lands optewekken ,■ „ en ik wil, dat het Volk in uwe Landvoogdijen „ uit u weeten, dat zij den Vrede zouden genooten „ hebben , indien het van mij alleen hadt afgehan„ gen, hun een goed te bezorgen, 't welk zij met „ reden verlangen , doch het geen wij moeren ver„ krijgen door nieuwe Krijgsverrigtingen , vermids „ de groote opofferingen, door mij gedaan, vrugt„ loos geweest zijn tot het her/tellen van de open„ baare rust."

Nauwlijks was deeze rondgaande Brief door geheel' Frankrijk verfpreid , of alle de Onderdaanen betoonden om ftrijd hunnen ijver voor 't Koninglijk rluis. Geen Franschman kon ongevoelig blijven op leeze taal des Konings; zijn roem en 's Volks roem vas dezelfde; de geesten , verflaagen door zo veel mheils, beurden zich op. Elk toonde een Burger e zijn. Het gebrek aan leevensmiddelen in de Land. :happen deedt het Volk dienst neemen , en na 't ,eger trekken , waar men des geen gebrek leedt. rankrijk , dat dus lang om eer geftreeden hadt reedr nu tot zelfbehoudenis. De Koning verminde zijne tafel en kosten te Marly, zondt zijn kmden Vaatwerk na de Munt, en gaf zijn EdelMeenten in handen van den Heerë Desmarets.

onV

Sluiten