Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

466 GESCHIEDENIS

StaatsRegee-

uikg,

te.eeven, naderde hij rot haat, toen hij dagt, dat ze in haare grooi.de opgetoogenheid w^s , en (lak zijne hand in haaren bo-zem. Zij ttootte hem met veel drifts te rugge , betuigde hem haare verbaasdheid over deeze handelwijze, en ftondt op 't punt om hem des openlijk te berispen; doch hij voorkwam haar , zonder blikken of bloozen , met eene heilig, heid vertoonende houding , dit woord voerende: „ Ik zie wel , mijne D>gter ! dat gij nog verre af „ zijt van de volmaaktheid ; erken nederig uwe „ zwakheid, en bid God om vergiffenis dat gij zo min aandagtig geweest zijt op de Verborgenheden, „ welken gij moest overdenken. Zo gij daar aan „ de noodige aandagt hadt befteedt, zoud gij nret „ gevoeld of gemerkt hebben , wat aan uwe keel „ werd gedaan; maar gij waart zo weinig afgetrok,, ken van de zintuigen, zo weinig van de Godheid „ doordrongen , dat het geen oogenblik leedt , of ,, gij bemerkte, dat ik u aanraakte. Ik wilde eene „ proeve neemen, of eene vuungheid in het gebed „ u boven de doffe verhief, en u veréénigde met „ het Opperde Weezen , de leevendige Bron van „ onderflijkheid en geestlijkheid: en ik zie met veel „ fmerte, dat uwe vorderingen zeer gering zijn ; gij ,, kruip' nog langs de aarde. Laat u dit befchaamd „ maaken, mijne Dogter ! en u aanfpooren om de „ heilige pligten van het gemoedelijk bidden be„ ter te betragten." — Mevrouw de Calonces , die niet minder verdandig dan deugdzaam

wag,

Sluiten