Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24 I. Hoofdstuk kent; heeft dan Adam in den ftaat der Rechtheid God niet gekent als Dritè'enig, zo als hy is, dan volgt, dat hy dat Opperwezen nimmer op eene betaamelyke, en hem Welbehaagelyke wyze heeft kunnen dienen; om dat de dienft van het Opperwezen, zal dezelve wel ingerigt zyn, gepaard moet gaan met de regte kennis van het zelve.

Niemand zegge; — het Leerftuk der H. Drieëenheid behoort tot de Verborgentheid van het Verlosfings werk, en Zaligmaking van den gevalle Menfch, en daar in heeft God zich als Drieëenig geopenbaart, — dus was het niet noodig, dat God zich aan Adam , in den Staat der Rechtheid verkeerende, bekent maakte als Drieëinig, wyl 'er toen niets van de Verborgentheid der Verlosfing van gevalle Zondaaren te pas kwam, en derhalve konde Adam God op eene behoorlyke wyze dienen, hem alleen als Schepper befchouwende; — want de zulkcn fchynen uit het oog te verliezen

I. Dat door het woord des Heer en de

He-

Sluiten