Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 n. Hoofdstuk

Twee zaaken echter moeten hier in het oog gehouden worden.

I. Dat deze Goddelyke ingeeving, nog algemeen, nog altydduurende in die Heilige Mannen gevonden werdc, zo dat deze Godsmannen voor dwaalingen vatbaar zyn geweeft, wanneer zy als Menfchen, en niet, als door Gods Geeft gedreevene Menfchen, fpraken of fchreifden.

II. Dat, en de dpoflclen, en de fropheeten, wel, in opzigt van hun Geloof, maar,geenfints met betrekking op hunne Zeden, onfeilbaar waren; — de geeft toch zoude hen wel in alle waarheid leiden,dat zy niet dwaalen konden: maar nimmer belooft hy hen in alle Godsvrugt te zullen leiden, om nimmer te kunnen zondigen; — van hier, dat óevemfmgvan Petrus Gal. 2: vs 12. geenfints aankant tegen de Goddelykheid zyner Brieven, wyl zyne verkeerde handel wyze, vs 12. vermeld , en waarover hem Paulus jn het aangezigte tegenfprak , alleenlyk uit vrees voor der Jooden ongunft, en niet uit onkunde of ongeloof voortvloeide.

2. Tot

Sluiten