Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17Ö III. Hoofdstuk Goddeloosheid; — fpreeken wy

1. Van eenen dienft, die God alken toekomt, het is, om de beelden der AfgodenDienaars op hunnen voecftut te doen waggelen. —

2. Maaken wy gewag van eenen dienft, van God zelve ingefteld, het gefchiet, om het bygeloof te dwarsboomen,

3. Kn, ons zeggen, dat eene dien/1, overeenkom/lig Gods deugden , en onder dezelven zyne onveranderlijkheid , een teeken is van den waaren Godsdienft, fchroomt geenfints de bedenking,of deaffchaffingder Joodfche Godsdienft, eertyds hen bevolen, niet aandruift tegen de Goddelyke onveranderlykheid; — want,

1. Wyl de Ceremonie-dienft op de genade zag, die Chriftus zoude aanbrengen, was hetbillyk, dat, wanneer het Lichhaam gekomen was, defchaaduw verdween; wyl nu elke plechtigheid haare betekenis, elke voorzegging haare vervulling gekreegen, en elk Zinnebeeld het voorwerp getoont had, waar op het floeg. —

a. En

Sluiten