Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192 IV. Hoofdstuk

men? voldoen zy ons dan meer? losfen zy dan onze vraage op, waar van daan wy ontjlaan zyn? neen, wy zyn nog niets gevordert, de vraag blyjt altyd dezelfde, waar van daan zyn dan die ? en zy blyven ons het antwoord Eeuwig fchuldig. — Zy leeven even eens met ons, (voegt 'er die groote Wysgeer by) als de kwaade betaalders , die hunne Jchuldeijchers van den eenen tot den anderen zenden. — Sempronius zegt, hy zal my eerlyk, en, ten volle bet aaien, hy geejt n.y een asjignatie op Titius; — als tk daar kome, bekent hy wel, dat Sempronius recht gehad heejt om my aan hem te asjigneeren : Maar ,dewyl by voor het tegenswoordige geen gereed geld heejt, zend hy my met zyne asjignatie na Ca jus , — C a j u i in de zelve vertegentheid verkerende, zend my tot Mevius; — Mevius verder tot Uepianus;—zeg my,kryg ik op zulk een wyze gereed geld ? geenzints, men betaald my niet, het geene men aan my fchuldtg is; — zo min als deze met gereed geld betaalen, betaalen zodaanige IVytgeeren , die ons belooven gegronde rede

der

Sluiten