Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over Gods Bestaan, &c. 253

„ De eenigfle rede dan , die 'er kan wezen „ van de kennisfe, die A van B onderjteld „ wordt te hebben, zoude moeten zyn, dat „ B nevens hem aanwezig ware; — byge-

votge zoude het aanwezen vanB, in orde „ der Natuur , eerder zyn, dan de kennisfe, „ die men A daar van toefchryjt; maar, „ is dat zo; dan moet het aanwezen van B, „ ook, in orde der Natuur, het aanwezen „ van A voorgaan; dewyl het aanwezen van »> A, gelyk voorheen getoond is, geene andere „ grond van zyn beflaan hebben kan, dan „ de volmaaktheid van zyne Natuur, waar

toe ook de kennisfe, die hy onderfielt „ wordt van B. te hebben, behoort.

„ Als wy nu deze redeneeringe omkee„ ren , en op diezelfde wyze van de ken„ nisfe, die B. ten opzigte van A. zoude „ moeten hebben, fpreeken , als wy gedaan „ hebben van de kennisfe van A, dan zal „ het bef uit moeten zyn , dat het aanwe* „ zen van A, in orde der Natuur, eer„ der is, dan dat van B, zo dat, om flaande

Sluiten