Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

254 Hoofdstuk „ te houden dat 'er twee Goden A en B kun„ nen zyn, men tot. die ongerymtheid moet „ vervallen, van te (lellen, datB, in orde „ der Natuur, eerder, en nogthans laater „ is dan zyn met gezel A. fi. Van agteren,

Blykt de waarheid van ons gezegde, uit de ftandvaflige befliering en inrichting van al het gefchapene, tot een gemeen eynde, waar uit wy het Oppergebied van een eenig God, als de Opperfte Koning veylig mogen opmaaken. —

Tegen deze eenheid van Gods wezen en Eigenfchappen ftryd geenfints de Drieheid der Perfoonen in een Goddelyk wezen; want, deze Drieheid geeft niet te kennen, dat de Goddelyke Natuur aan meer wezens, in getal onderfcheiden, gemeen is; maar, dat dit Perfoonen zyn, die het zelve Goddelyke wezen, op eene onuitfpreekelyke wyze, onverdeelt met eikanderen bezitten. —

En, hebben de Heidenen gefprooken van veele Goden, — deze dwaaling is gefprooten

ten

Sluiten