Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3oe> IV. Hoofdstuk

A. I. Volgens dit gevoelen, z#ude het Schepfel, uit zich zelve , en met een zeker recht, zich tot het een of ander bepaalen : maar de Schepper zoude, en ten opzigte van zyne kennifle, en van zyne wille, deze bepaaling van het Schepfel moeten volgen, welk eene ongereimtheid! want, Gode kan niets worden toegeè'igent, dan het geene in allen opzigte onaf hangelyk is, en in tegendeel is het met het Schepfel geflelt; en, dat van God, als eérfle Scheppende oorzaak afhangt, met betrekking tot zyn Wezen, hangt ook van hem af, als eerrte werkende oorzaak, met betrekking tot zyn werken; wyl de wyze van werken de wyze van beflaan volgt.

II. Alle zaaken zyn of zeker toekomende, en dan bchooren zy tot de kennijfe des gezigts,of de vrywillige; — of ,zy zyn niet zeker toekomende: maar dan kunnen zy ook niet zeker van Godgekent worden; — of, zy zy zyn niet toekomende, en dan behooren zy tot die alleen mogelyk zyn, en dus tot de kennijfe der bkote bevatting, of natuurlyke.

III.

Sluiten