Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over Gods Bestaan, &c. 313

den goede het goede, den kwaade bet kwaade; want het is verre van hem te dooden den Rechtvaerdigen met den Godloozen,

V. Kan deze Richterlyke Rechtvaerdigheid nog nader onderfcheiden worden ?

A. Men kan dezelve, met betrekking tot de toedeeling van het goede, onderfcheiden in eene beloonende, welke gefchiedt, of, na het richtfnoer der wet, aan een iegelyk die dezelve volkomen onderhoudt, of, na den inhoudt des Euangeliuin3, om de verdienden van Chrifti; — En, met betrekking tot de Strafotffeningen aan Zondaann , in eene wreekende, of Strafoejenende Rechtvaerdigheid. —

V. Is deze wreekende Rechtvaerdigheid Gode zo wezentlyk eigen, dat hy de Zonden geenfints geheel ongeftraft kan laaten?

A. Wy oordeelen, dat deze wraakoefenende Rechtvaerdigheid Gode zo natuurlyk eigen is, dar, zo dra God redelyke Schepfelen had gefchapen, en aan dezelven, uit kracht hunner Zedelyke afhangelykheid van hem, zyne bevelen bad voorgefchreeven, hy V 5 de

Sluiten