Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8tt maart, ZAAKEN VAN 1785.

gedragen inzond , met eenige convenien'tie dien Brief zelve niet in aanmerkinge zouden hebben kunnen neemen, maar dat hy veel meer getoond heeft, tot welk eene wanvoeglykheid en abfurditeit men vervallen moet , wanneer men zig niet ontziet de evidentite waarheden tegen te fpreeken.

Dat, daar dus meer dan overvloedig gatoond is, het recht aan de zyie der Steden , om de Ridderfchap te oven uigen van haare verkeerde oppofitie tegen admisfie van eenen Edelman in haar Corps, dezelve liever aan de erkentenisfe van zyn Hoogheid of van Arbiters hebben willen ftellen, dan daadelyk volgens haar begrip de conclufie formeeren , en daar door gelegendheid geven, dat de Eidderfchap haar imputeerde van tegen recht eenen Edelen in haar Corps in te dringen.

Immers het zou niet edelmoedig zyn , dat die Heeren zulk eene loutere deference , zoo als de verklaaringe van zyn Hooghaid zoo wel, als de fuccesfive erkentenisfeii van hunne Prasdecesfeuren zoo notoir in deezen veronderfteld, tot der Steden prejudicie en beneeminge van dergelver recht zouden willen doen werken, en de Steden houden zig in allen gevalle uit hoofde van de bekende regtmaatige denkwyze van Uw Ed. Mog. verzekerd, dat hen dit niet gelukken zoude, dewyl dit aanleiding zoude geven, dat die vooral in deezen tyd zoo wenfehelyke geest van condefcendance , en wederzydfche toegeeflykheid tusfchen de Regenten van dit Gewest geheel wierde uirgebluscht, en ieder zyn recht altoos op het ftriktfte zoude willen doen gelden , waar van de fchroomelyke gevolgen niet genoeg te

ap-

Sluiten